We hadden al veel negatiefs gehoord over Napels, zowel van de Italianen zelf als van de buitenlanders (de Belgen die we kennen), vooral over de criminaliteit hoorden en lazen we veel.

Tot mijn grote verbazing vonden wij Napels wel een héél leuke stad, vanaf het moment dat we er binnenfietsten eigenlijk.

   


Waarschijnlijk omdat we voorbereid waren, want Napels is geen typische citytripstad.

Het is een mooie stad … waar een zootje ongeregeld in leeft. Ik heb veel moeten lachen, met alles dat ik zag gebeuren. Ik moest lachen met die jongeman die Bjeurn toeriep als “Jésus, Jésus”, om een kruisteken  te slagen toen Bjeurn doorhad dat het tegen hem was. Ik moest echter niet lachen toen een ongeregelde duif op mijn hoofd kakte.

    

Skooters zijn overal, op de straat maar evengoed op de stoep of op een plein. En op die skooters zit dan een 12-jarige, een volledig gezin, iemand met 6 sixpacks water, …

    
Het verkeer is druk, men toetert graag, er wordt amper gestopt voor voetgangers en zelfs op het voetpad of op het zebrapad ben je niet veilig.

  


   


Graffiti is aangebracht zowat overal waar men aan kan … echt elke muur of poort is beklad.
    

En dan is er ook nog zo’n vreemde stoet die soms passeert met enkele jongemensen die wat muziek maken, en nog meer jongelui die erbij lopen met een zak waar je je vriendelijk wordt gevraagd wat geld in te steken.

    

Maar Napels is ook de stad van de vele steegjes vol leven en vol streetfood.


De stad die nog steeds dweept met Maradona.

De stad die uitkijkt op de Vesuvius.

   


   


   


Een stad met eens andere souvenirkraampjes.


   


    

De stad met het wonder van het gestolde bloed van San Gennaro dat 3 keer per jaar weer vloeibaar wordt in de Duomo.

    
Napels … we hebben de dag weer overleefd en zijn (nog) niet beroofd, nu hopen dat onze fiets morgen ongeschonden uit de chaotische garage komt.